Oefenen met meten

Kinderen zijn nieuwsgierig en vinden het leuk om zelf te mogen meten. In groep 3 leren kinderen al wat meten is en oefenen ze met begrippen als ‘groter/kleiner dan’ en ‘langer/korter dan’. De juf of meester laat de bordliniaal van een meter zien. In groep 4 krijgen de kinderen een eigen liniaal. Ze leren meten met centimeters. In groep 5 wordt het meten verder uitgebreid. Vaak kennen kinderen in groep 5 al 5 meetmaten: de millimeter, centimeter, decimeter, meter en kilometer.

hoeveel centimeters passen er in een meter?

Omdat het meten niet dagelijks in de rekenles terugkomt, vergeten kinderen al snel dat er bijvoorbeeld 100 centimeters in een meter passen. Het is goed om dat af en toe te herhalen. Maar nog belangrijker is het, om het meten te herhalen op een leuke, speelse manier. Want als iets wordt aangeleerd op een leuke, speelse manier, zal een kind het niet snel vergeten. Speciaal voor ouders, die met hun kind een leuke meetoefening willen doen, is deze blog geschreven!

METEN MET JE KIND
  • Gebruik een rolmaat of meetlint. (Je kunt ook, als je een keer bij een bouwmarkt bent, kosteloos enkele stevige, papieren rolmaten meenemen. Daar staan de millimeters, centimeters en meters duidelijk op.)
  • Vervolgens bedenk je samen met je kind een plek, waar hij regelmatig komt (bijvoorbeeld zijn slaapkamer of het toilet). 

Nu kun je starten!

1. Eerst kijk je met je kind, wat er op de rolmaat te zien is. Wat weet je kind al? Welke maten kent hij al?

2. Als je kind nog weinig of niets kan opnoemen bij de rolmaat, kun je zelf de centimeters en millimeters aanwijzen. Daarna vertel je, dat er 100 centimeters in 1 meter passen. Om het visueel te maken, kun je het opschrijven. 1 m = 100 cm.

3. Nu gaan we meten op de gekozen plek met de rolmaat (bijvoorbeeld tegen de muur of deurstijl).
–   Zet eerst samen op de muur een klein potloodstreepje bij 100 cm (=1m).
–  Zet dan een streepje aan de bovenkant van het hoofd van je kind, als hij tegen de muur staat.
–   Laat je kind meten, hoeveel centimeter het streepje boven de 100 cm (1m) staat.
–   Benoem dan: ‘Je bent 1 m en 22 cm. Je kunt dat ook zo zeggen: 122 cm.’

4. Nu mag je kind jou gaan meten (of zijn broer/zus).

5. Je kunt je kind laten schatten (= heel belangrijk voor het inzichtelijk vermogen): hoeveel centimeter verschil denk je dat er tussen jou en je broer/zus zit? Daarna kan hij het opmeten.

6. Als jullie nog niet uitgemeten zijn, kun je andere voorwerpen opmeten. Denk aan bijvoorbeeld de tafel, een potlood of een kussen. Laat je kind eerst een inschatting maken. Daarna mag hij kijken of hij in de goede richting dacht. (Bij kinderen uit groep 3 kun je vragen: ‘Denk je dat dit kussen langer of korter dan een meter is?’

7. Na een tijdje kun je weer eens samen meten. 
–   Eerst even achterhalen, wat je kind nog weet (= stap 1 en 2).
–   Dan meten: Ben je gegroeid? (= stap 3).
–   Daarna kun je stap 4, 5 en 6 herhalen.

Kinderen vinden het geweldig om te zien of ze gegroeid zijn. Ook zul je al gauw zien, dat je kind steeds betere inschattingen maakt. Hoe meer dit geoefend wordt, des te beter wordt het inzichtelijk vermogen!

Wil je op lesvananne.nl oefenen met meten? Dat kan natuurlijk! Hieronder vind je de lessen, die met het meten te maken hebben.

GROEP 3 LES 17 De meter

GROEP 4 LES 6 Meten met een meter
GROEP 4 LES 11 Meten met centimeters

GROEP 5 LES 2 Meter en centimeter
GROEP 5 LES 13 De kilometer
GROEP 5 LES 31 De omtrek
GROEP 5 LES 36 Meten in m, cm en mm
GROEP 5 LES 41 M? en cm?
GROEP 5 LES 47 De decimeter
GROEP 5 LES 51 Rekenen met m?

GROEP 6 LES 11 De trap met maten
GROEP 6 LES 13 Rekenen met schaal
GROEP 6 LES 37 Kaartlezen met schaal

Zet ‘m op! Ik weet zeker dat je het kan!

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om berichten te posten.